
Het samenspel van het groene landschap, de zee, de stranden, het voor Spaanse begrippen koele klimaat en het historisch en cultureel erfgoed maken Gijon voor de Spanjaarden tot de aantrekkelijkste stad op de kust van Noord-Spanje.
De grote bloeiperiode van de stad ontstond toen er een spoorwegverbinding werd aangelegd naar de mijnstreek van Asturië, waardoor de stad een belangrijke haven- en industriefunctie kreeg. Tijdens de Spaanse burgeroorlog heeft Gijon net als Oviedo zwaar geleden.
Het oude centrum ligt op een rotsachtig schiereiland, net even meer dan 100 meter boven zeeniveau. De stad heeft in de Playa de San Lorenzo, met een mooie boulevard een grote attractie voor de zomergasten. De oude visserswijk Cimadevilla heeft veel aantrekkelijke straatjes met restaurants en café's. In deze wijk werd ook één van de grote zonen van Gijon geboren, de schrijver, econoom en politicus, Gaspar Melchior de Jovellanos (1744-1811). Hij is vooral bekend geworden doordat hij in de tijd van de Verlichting het Instituto Jovellanos stichtte (een hogeschool voor natuurwetenschappen), die nog steeds bestaat. Zijn geboortehuis is nu een museum.
De wijk ligt aan de voet van de Cerro de Santa Catalina, ook wel la Atalaya genoemd. Het biedt een prachtig uitzichtpunt over de zee, de stad en de bergen. De naam Atalaya is afgeleid van atalayero (=wachter). Vroeger stonden hier mensen op wacht, die moesten waarschuwen als er walvissen of scholen andere vissen opdoemden.
Aan de Plaza Mayor staat het stadhuis uit de 19e eeuw. In de oude stad staan nog twee interessante paleizen, het 15e-eeuwse Palacio de Revillagigedo en het 17e-eeuwse Palacio de Veldés. Niet ver van zee bij de mirador (het uitzichtpunt) Campo Valdés zijn resten van een Romeinse nederzetting gevonden, o.a. een stuk muur en de in 1903 ontdekte termen: twee gebouwen met verwarmingsoven en badruimten.