
Het stadje gelegen aan de rand van de Montes Universales was in de 11e eeuw een leengoed van El Cid en van 1165 tot 1333 een onafhankelijke staat. Het is een van de opvallendst gesitueerde plaatsjes van Spanje.
Op een klif achter de stad staan vestingmuren met Moorse torens, enkele muren van de citadel zijn uit de 11e eeuw, maar de meeste werden herbouwd na het vertrek van de Moren. Het stadje ligt tegen de helling, maar enkele huizen liggen achter tegen de torens genesteld binnen het bebouwde gebied. Dit omvat drie zijden van een driehoek en ligt boven een diep ravijn, dat is uitgesleten door de rivier de Guadalaviar.
Vanaf het Palacio Episcopal heeft men een goed uitzicht over de stad. Binnen de daarnaast gelegen 16e-eeuwse kathedraal met klokkentoren staat een renaissancistisch, houten altaarstuk met scènes uit het leven van St. Petrus. De schatkamer is beslist ook een bezoek waard, met zijn 16e-eeuwse Brusselse wandtapijten en allerlei religieuze voorwerpen en curiosa.
Sommige van de stevige, van balken en galerijen voorziene gebouwen, kennen een ongewone structuur met twee verdiepingen. De benedenverdieping is van kalksteen en de overhangende bovenverdieping is afgewerkt met koraalroze pleisterwerk. Veel huizen zijn gerestaureerd tot hun middeleeuwse vorm, het oude centrum is in zijn geheel door de UNESCO tot Wereld-erfgoed verklaard.