Paestum is de Romeinse naam van een stad die in de Griekse tijd nog 'Poseidonia' heette. Genoemd naar de god van zee, Poseidon.
De stad werd gesticht door inwoners van Sybaris, rond 600 v. Chr.
De voornaamste tempels werden in de 150 jaar daaropvolgend gebouwd.
In 273 v. Chr. werd de stad een Romeinse kolonie en kreeg ze de naam Paestum.
Vanaf 500 na Chr. werd het steeds minder goed toeven in Paestum als gevolg van een menselijke verstoring van het natuurlijke milieu. Eeuwenlang waren houthakkers namelijk bezig geweest met het kappen van de bomen in de bergen nabij Paestum om de Romeinse galjoenbouwers van hout te voorzien. De erosie die deze wilde kaalslag tot gevolg had pakte echter rampzalig uit. Rivieren schuurden zand en puin van de kale berghellingen dat ze weer afzetten in de rivierdelta's. Die slibden dicht, zodat langzaam maar zeker een groot moerasgebied ontstond.
De broeierige moerassen hadden een desastreus effect op de gezondheid van mens en dier. Voor andere organismen vormden ze juist een prima leefomgeving. Voor de malariamug bijvoorbeeld, die hier voor het eerst zijn opwachting maakte en een slachting onder de inwoners van Paestum veroorzaakte.
Toen de stad tenslotte ook nog een dankbaar doelwit bleek voor plunderende Saracenen hadden de bewoners er tabak van. Ze pakten hun boeltje bij elkaar en stichtten 15 kilometer landinwaarts de stad Capaccio.
Paestum bleef vervolgens bijna duizend jaar lang vergeten totdat de resten ervan in 1752 aan de oppervlakte kwamen bij de aanleg van een weg.