
De stad Budapest is in 1873 door het samengaan van de drie plaatsen Óbuda, Buda en Pest ontstaan. Ver voor het begin van onze jaartelling hadden de Kelten hier al een nederzetting. Later kwamen de Romeinen. Die hadden zo'n 10 jaar v.Chr. een Romeinse provincie gevormd tussen de Oostenrijkse Alpen, de Donau en de Sau, die Pannonia werd genoemd. Zij legden verschillende militaire steunpunten aan langs de Donau en zo ontstond in de 1e eeuw Aquincum. Eerst een legerkamp, later de hoofdstad van Pannonia. Tot het eind van de 4e eeuw bleef de stad Romeins. Maar na invallen van de Germaanse stammen en de Hunnen raakte de stad in verval. Hierna volgden veroveringen door Oostgoten, Longobarden en Awaren.
Omstreeks het jaar 1000 bouwden Magyaren op de resten van het oude Aquincum hun vesting. Dankzij de gunstige ligging bloeide de handel op en vestigden zich hier kooplieden, onder andere uit Duitsland en Frankrijk.
De koningen hadden in die tijd nog geen vaste verblijfplaats. Ze trokken het land door en sloegen hun tenten op, waar ze op dat moment waren. Dit veranderde toen de Mongolen binnenvielen en de steden Óbuda en Pest verwoestten. De in die periode regerende koning Béla IV was toen wel gedwongen om burchten en stadsmuren te bouwen. Het plateau van de heuvel Buda kreeg een verdedigingsmuur en er werd een burcht gebouwd. Deze burcht, Budavar, werd nu de vaste verblijfplaats van de koning en deed tevens dienst als verdedigingsburcht.
Tussen 1458 en 1490 beleefden Buda en Pest een culturele bloeiperiode. Koning Matthias (de 'ongekroonde koning', want de kroon was in het bezit van de Oostenrijkse keizer), hield er een hofhouding op na in de stijl en in de geest van de Italiaanse renaissance. Het koninklijk paleis werd uitgebreid en verfraaid. Maar na de dood van Matthias kwam een periode van verval.
De Turken kwamen na de beruchte slag bij Mohács (1526) aan de macht. De hofhouding en vele burgers vluchtten uit Buda en Pest en de Turkse sultan Suleiman betrok de burcht. Wat er nog over was van de kerken, kloosters en paleizen, gebruikten zij voor het bouwen van vestingen en voor het versterken van de burcht van Buda. Later, toen de Turken weer door de Oostenrijkers werden verslagen, gebeurde ditzelfde in omgekeerde richting: moskeeën en minaretten werden afgebroken en gebruikt als bouwmateriaal voor nieuwe bouwwerken. De burcht was door deze oorlog praktisch helemaal verwoest, maar de Oostenrijkse Maria Theresia liet dit koninklijk slot weer opnieuw herrijzen.