
Nisí ligt in het meer Pamvótis, het meer 'dat allen voedt'. Inderdaad was het meer altijd zeer visrijk, maar het is twijfelachtig of alle vis die er nu in de restaurantjes langs het water wordt opgediend nog allemaal daaruit komt. Het groene eilandje telt zo'n 120 huisjes; heel idyllisch liggen ze langs de smalle straatjes, wit en rijk versierd met bloemen.
Men zegt dat de Turken nogal ontzag hadden voor de rijzige dorpelingen, die overigens ook weer van elders hierheen waren gevlucht. In elk geval lieten zij het eiland opvallend met rust. Daarom zullen er nog wel zoveel kloostertjes en oude kerken staan. En deze speelden een belangrijke rol in de duistere eeuwen van de 'Turkocratie'. Daar hield men het christelijk geloof levend, maar dat niet alleen.
Heel ongewoon voor Griekse monniken, wier levenswijze vooral gericht is op zelfheiliging, gaven deze hier les en zorgden dat men de Griekse taal bleef lezen en schrijven en dat de eigen - grote - geschiedenis bekend bleef. Zij hielden dus de vlam van het nationaal bewustzijn brandende.
Je zit heerlijk op het terrasje langs het water; als je er 's avonds bent, moet je er in het maanlicht zelfs zeventien witte nimfen kunnen zien zweven boven het water. Het zijn de zeventien vrouwen die Ali daar liet verdrinken...
Een wandelingetje over het eiland is aan te raden, langs het kloostertje van Pandeleimon, waarheen Ali tenslotte vluchtte en waar hij gedood werd, en naar het aan Ayos Nikólaos Spanós gewijde 13e-eeuwse klooster, Philantropinón, waar de nationaal voelende monniken hun school hadden. Zó Grieks voelden en dachten zij, dat ze op de oude fresco's in hun kerk naast hun vrome en fantasierijk gemartelde heiligen een plaatsje inruimden voor de 'oude heidenen', zoals Plato, Aristoteles, enz... Deze kregen géén stralenkrans, maar tóch..
Ja, er is veel te vertellen en nog veel meer te zien in Ioánnina en omgeving...
