
Aráchova is best een mooi plaatsje. Maar om dat te ontdekken moet u ook wel buiten die ene lange winkelstraat gaan naar het gedeelte dat in terrassen tegen de bergen opklimt tot de St. Joriskerk (Áyio Geórgios).
In de winkelstraat is het goed slenteren langs de winkeltjes, volgeladen met grove, veelkleurige weefsels, met kleine en grote vellen van wilde en tamme dieren en met alles wat men daarvan maken kan, zoals mutsen en wanten en, niet te vergeten, 'flokati's', kleedjes van o.a. schapenhuid. Ook de - zware - wijn waarom het stadje bekend is, wordt er natuurlijk te koop aangeboden.
Ja, Aráchova is best gezellig in tegenstelling tot zo'n kleine tweehonderd jaar geleden.Toen was het een echt 'Klephtendorp' waar je als buitenstaander en zeker als Turk beter niet kon komen. Het herbergde n.l. een groot aantal van die avonturiers die men Klephten noemt. Volgens sommigen hadden zij die naam omdat ze zich schuil hielden in, en opereerden vanuit de bergen als vrijheidsstrijders. Volgens anderen waren het oorspronkelijk gewoon rovers en dieven en wij kunnen dan zelf wel hun naam begrijpen vanuit ons woord 'kleptomanie'...
Partizanen of niet, hun nationaal Grieks bewustzijn was niet altijd even duidelijk. Wel wie hun vijand was; dat was de Turk, voor wie ze in wreedheid niet onderdeden. En zeker is ook dat ze een groot aandeel hebben gehad in het verdrijven van die Turk. Let maar eens op de vele borstbeelden van Klephten, ze vallen op door hun forse snor en ronde hoofddeksel. Een fez? Best, als u maar niet denkt dat de fez van oorsprong Turks is. Neen, het is hún muts en die heeft de Turk van hen gestolen!
Wanneer u Aráchova vanuit Delphí nadert, staat er vooraan in het dorp, links op een kruispunt zo'n borstbeeld, het monument van Karaïskakis. Hij sneuvelde in 1827 bij een poging om de Grieken, die de Acropolis in Athene bezet hielden en door de Turken belegerd werden, te ontzetten.